DE VERMAKER

We zaten aan een langwerpige tafel in zijn huis aan de rand van het Vondelpark, hartje Amsterdam. Het was de vorige dag weer eens tamelijk uit de hand gelopen. Had te maken met zijn 70e verjaardag, die nogal uitbundig was gevierd.

Onderwerp van gesprek in dit katerige decor: het lot van de aftakeling.

‘Ik heb vooralsnog nergens last van’, sprak Maarten Spanjer monter. ‘Krijg alles nog altijd recht overeind, al moet ik daar tegenwoordig wel voor op m’n kop gaan staan.’

Denk je als kersverse zeventiger na over de dood? vroeg ik hem.

‘Nee’, zei hij, ‘maar ik heb wel al de tekst voor m’n grafsteen klaar: Ja, lacht u maar, ik lig ook liever op het strand.’

Z’n makker in het kwaad Rijk de Gooyer – die als een kat met zeven levens bij herhaling wonderbaarlijk aan Magere Hein was ontsnapt – sprak toen het einde voor hem toch echt naderde: ‘Máárten, zet maar op die steen van mij: Hier ligt De Gooyer, hij ken niet dooier.

Want waarom zou je als je altijd principieel hebt geweigerd om het leven al te serieus te nemen dat wel doen met de dood? Als die twee érgens een bloedhekel aan hadden, dan was het aan stervelingen die buitengewoon gewichtig deden over zichzelf en hun aardse bestaan. Dan dreef de spot Spanjer en De Gooyer naar de toppen van de humor, vaak vals en bijtend. In de meeste andere gevallen was Maarten  – gedreven door zelfspot – gewoon grappig.

Hij acteerde in films, maar als hij in de spiegel keek, zag hij – denkend aan mannen als Jack Nicholson en Robert de Niro – geen acteur.

Hij vond zichzelf – na een stapel uitermate vermakelijke boeken van zijn hand – wel een beetje een schrijver, maar eigenlijk was hij meer nog een vermaker. Niet zoals in de Dikke Van Dale staat reparateur, hersteller of monteur, maar: hij die altijd en overal medemensen vermaakt.

Met de goddelijke gave om de doorgedraaide wereld een lachspiegel voor te houden en te onderhouden met hilarische verhalen over Maradona en Socrates had Spanjer dagelijks vrolijk orerend testbeeld moeten zijn aan praattafels op tv. Waarom dat slechts sporadisch gebeurde? Omdat hij als de helft van de dubbeldooier De Gooyer/Spanjer op teveel tenen heeft getrapt in het Hilversumse ijdeltuitenwereldje. Rijk kon zich dat als groot acteur veroorloven. Die kon ongestraft op de snelweg een zojuist gewonnen prestigieus Gouden Kalf uit het raampje van Maartens taxi flikkeren. Spanjer niet. Toen Rijk er niet meer was, kreeg Maarten de rekening gepresenteerd voor de draak steken met egotrippende bn’ers: zijn naam verdween onderin de kaartenbak der tafelgasten.

Voor mij bleef hij daarom – ondanks z’n successen – tot het laatst ‘t typetje dat hij lang geleden zo heerlijk neerzette in het tv-programma Voetbal ‘80. Een Amsterdamse jongen in een wit shirt en een wit broekje, met een witte muts op z’n hoofd en een bal aan z’n voet dolend door een bos.

Het Miskend Talent.        

  

   

 

 

Scroll naar boven