Geen winnaar verliest zo mooi als Mathieu van der Poel.
Het is een lelijke misvatting dat voorspelbare kampioenen een sport groot maken. Voorspelbare kampioenen zijn oervervelend, a pain in the ass voor echte liefhebbers. Ónvoorspelbaarheid is het toverwoord dat sport mythisch maakt. Wie – door pech of op eigenzinnigheid drijvende foute keuzes – net niet wint, maakt meer indruk dan een saaie winnaar.
Om die reden is Mathieu van der Poel voor het wielrennen van grotere waarde dan veelvraat Tadej Pogacar. Hij verhoudt zich tot de Sloveense viervoudig Tour-winnaar als Cruijff tot Messi. Cruijff werd net niet wereldkampioen, Messi wel. Messi won acht keer de Gouden Bal, Cruijff niet. En toch was Cruijff voor het voetbal van grotere betekenis dan Messi. Omdat hij uit naam van de schoonheid van de sport bewust het risico nam om te verliezen. Omdat hij eigenwijs geniaal de zege nooit heilig verklaarde.
Van der Poel reed zondag tijdens Parijs-Roubaix lek in het Bos van Wallers, op die kutkasseien uit de tijd van Napoleon. Naargeestige plek waar je je hond nog niet wilt uitlaten. Een ploeggenoot stond z’n fiets af, maar was even vergeten dat hij andere pedalen dan de kopman had. Gepruts dus met een schoen die niet wilde vastklikken. Van der Poel legde de fiets neer, ogenschijnlijk berustend in het noodlot, de pose van de verslagene. Schade: ruim twee minuten achterstand op de onoverwinnelijke Pogacar. In normale mensentaal: einde verhaal. Maar Van der Poel is niet normaal. Hij verkleinde het gat nog tot 20 seconden, kreeg het nèt niet dicht en boog toen het hoofd, als de beste man van de koers.
Pogacar won – o, godswonder – ook niet, maar zijn nederlaag had geen glans, er was geen sprake van ‘net niet’. Geklopt in een sprint die niet eens een sprint was.
Wij – liefhebbers – moeten God op de blote knieën danken dat wij in hetzelfde tijdperk leven als Mathieu van der Poel. Er zal in Nederland nooit meer een tweede komen als hij, omdat wielrennen hier een langzame dood gaat sterven.
Oorzaak: de fatbike.
Wij ouwe lullen kunnen nog genieten van een klasbak die met Gods adem onder z’n oksels met 50 kilometer per uur over kasseien vliegt, omdat we weten hoe het is om met windje tegen over die klotesteentjes in de dorpsstraat van Jisp te moeten fietsen. Met je Puch (voor stadse watjes) of je Kreidler (voor stoere plattelanders) ging het een stuk makkelijker, maar dat was geen fiets. De jonge mens van nu kijkt naar lijdende wielrenners en denkt: ik trap die stakkers op m’n vette fiets met twee vingers in de neus voorbij. Waarom moeilijk doen op een racefiets als het makkelijk kan op een fatbike.
Daarom: koester de schoonheid van de fietsende Mathieu van der Poel. Zolang het nog kan.